Hongaarse taal

Het Hongaars (magyar, magyar nyelv) is de officiële taal van Hongarije en daarnaast de taal van de Hongaarse minderheden in de omringende landen. De taal heeft in totaal ongeveer 14,5 miljoen sprekers. Het is daarmee de grootste taal in Europa (buiten Turkije) die niet tot de Indo-Europese talen behoort. Het Hongaars is de grootste van de Finoegrische talen.

Binnen de Finoegrische talen vertegenwoordigt het Hongaars, samen met het Wogoels en het Ostjaaks, de Oegrische tak. Geen enkele andere Finoegrische taal lijkt zoveel op het Hongaars dat er sprake zou kunnen zijn van onderlinge verstaanbaarheid. Verwante talen als het Fins en het Estisch zijn voor een Hongaar even onbegrijpelijk als voor een Nederlander of Belg.

Het Hongaars is in het eerste millennium na Christus met de Hongaren uit het oosten naar Europa gekomen. Onderweg werd de woordenschat uitgebreid met veel woorden uit Turkse en Iraanse talen. Sinds de taal ruim duizend jaar geleden het Karpatenbekken bereikte, onderging de taal invloeden van de omringende Slavische en Germaanse talen en in mindere mate van het Latijn en het Italiaans. Tegenwoordig is het Engels de belangrijkste bron van nieuwe woorden. De invloed van het Russisch is nooit groot geweest.

Het Hongaars is altijd met het Latijnse schrift geschreven. De oudste Hongaarse tekst, de zogenaamde Lijkrede (Halotti beszéd) dateert van het einde van de twaalfde eeuw. Het is de oudste bewaard gebleven geschreven tekst in enige Finoegrische taal. Om de in het Latijnse alfabet ontbrekende klanken weer te geven worden digrafen en diakritische tekens gebruikt. Het volledige Hongaarse alfabet bevat ongeveer 40 "letters".

De Hongaarse standaardtaal berust op het noordoostelijke dialect. De verschillen tussen de Hongaarse dialecten zijn overigens gering.

Het Nederlandstalige woord koets (en het Engelstalige woord coach) komen uit het Hongaars, van het woord kocsi dat tegenwoordig auto betekent, naar de plaats Kocs waar koetsen gemaakt werden.

  • Klanksysteem

De Hongaarse klinkers kunnen volgens verschillende kenmerken worden ingedeeld.

Indeling van de klinkers

  • volgens lengte (duur)             
    • kort: a, e, i, o, ö, u, ü
    • lang: á, é, í, ó, ő, ú, ű

De lengte wordt aangegeven door streepjes boven de letter (die dus geen accenttekens zijn!). Bijvoorbeeld: hat „zes” vs. hát „rug”. Zo heeft de plaatsnaam Kővágószőlős allemaal lange klinkers.

  • volgens tongstand; ook wel zgn. voor- en achterklinkers (voor = voorin de mond gevormd of palataal, achter = achterin de mond gevormd of velair)             
    • achterklinkers, of lage klinkers: a, á, o, ó, u, ú
    • voorklinkers, of hoge klinkers: e, é, i, í, ö, ő, ü, ű
  • volgens openheid:             
    • geopend: á, e
    • half gesloten: a, é, o, ó, ö, ő
    • gesloten: i, í, u, ú, ü, ű
  • volgens de stand van lippen:             
    • met lipronding: a, o, ó, u, ú, ö, ő, ü, ű
    • zonder lipronding: á, e, é, i, í

De suffixen kunnen in principe alleen klinkers hebben van de klank-categorie hebben waartoe het woord behoort. Dit verschijnsel heet vocaalharmonie. Het komt ook in het Fins voor, maar ook in een niet verwante taal als het Turks.

Ook de medeklinkers kunnen allemaal kort of lang zijn. Lange medeklinkers worden dubbel geschreven.

De medeklinkers worden ongeveer zo uitgesproken als in het Nederlands, behalve in de volgende gevallen:

  • c - ts
  • cs - tsj
  • gy - dj
  • ly - j
  • ny - nj
  • s - sj (maar palataler)
  • sz - s
  • ty - tj
  • zs - zj (maar palataler)

Stemhebbende medeklinkers behouden hun stem ook aan het woordeind; een woord als ad („hij/zij/het geeft”) wordt dus uitgesproken met een [d] op het eind, en niet als [at], zoals men in het Nederlands zou doen.

De klemtoon ligt in het Hongaars altijd op de eerste lettergreep.

  • Karakteristiek voor het Hongaars

  • Kenmerkend voor de meeste Finoegrische talen en zeker ook voor het Hongaars is dat veel informatie binnen één woord wordt samengebracht. Zulke talen worden agglutinerende talen genoemd. De constructie „in mijn huis” luidt in het Hongaars házamban en „ik zie jou” luidt látlak.
  • De hierbij gebruikte achtervoegsels zijn er meestal in twee vormen: één met een lage klinkers en één (of twee) met hoge klinkers. Welke gebruikt wordt hangt af van het woord waaraan de achtervoegsels worden toegevoegd: vocaalharmonie, bijvoorbeeld házamban „in mijn huis” en kertemben „in mijn tuin”.
  • De werkwoordsvorm geeft aan of het lijdend voorwerp bepaald of onbepaald is (en natuurlijk of het onderwerp enkelvoud of meervoud is en welke persoon het onderwerp is). Voorbeeld: látok „ik zie” (onbepaald) en látom „ik zie hem/haar/het” (bepaald).
  • Geen grammaticaal geslacht: er is geen verschil tussen mannelijk en vrouwelijk (of onzijdig), zelfs niet tussen de woorden voor hij en zij.
  • Na een telwoord volgt altijd enkelvoud (két ház is letterlijk „twee huis”).
  • Het Hongaars is de enige Finoegrische taal met lidwoorden (ház „huis”, egy ház „een huis”, a ház „het huis”).
  • Het accent ligt op de eerste lettergreep van een woord.
  • Het werkwoord hebben ontbreekt. In plaats hiervan wordt een datief-vorm van het werkwoord zijn gebruikt, in combinatie met een bezitsuitgang van het persoonlijk vernaamwoord.
  • Er zijn slechts twee werkwoordstijden in de aantonende wijs (kijelentő mód): de tegenwoordige (jelen idő) en de verleden tijd (múlt idő). Toekomst wordt met een hulpwerkwoord uitgelegd, maar men kan daarvoor ook de tegenwoordige tijd gebruiken.
  • Naast de aantonende wijs zijn er de voorwaardelijke wijs (feltételes mód) en de gebiedende/aansporende (parancsoló/felszólító mód) wijs, beide alleen in de tegenwoordige tijd. De verleden tijd van de voorwaardelijke wijs (irrealis van het verleden) wordt gevormd met het hulpwoord volna. De aansporende wijs kan gebruikt worden voor alle personen, bijvoorbeeld írjak? „zal/moet ik schrijven”, írj(ál) „schrijf”, írjunk „laten we schrijven”
  • Bepalingen komen consequent voor het bepaalde, en aangezien een familienaam een bepaling bij een „voornaam” is, staan deze vanuit Nederlands gezichtspunt in „omgekeerde” volgorde: Béla Bartók heet in het Hongaars Bartók Béla (NB: niet-Hongaarse namen blijven onveranderd).
  • Een ander gevolg van bovenstaande is, dat het Hongaars geen voorzetsels heeft, maar achtervoegsels (a házban „in het huis”) en achterzetsels (a ház mögött „achter het huis”). Het gebruik van achtervoegsels leidt sommigen ertoe te zeggen dat het Hongaars een groot aantal naamvallen heeft (tot een twintigtal, afhankelijk van de interpretatie).
  • De hierboven genoemde achtervoegsels en achterzetsels kunnen weer gecombineerd worden met een bezitsuitgang, bijvoorbeeld mögötte „achter hem/er achter”, benne „in hem/er in”
  • Des te opvallender is dan ook de afwezigheid van de genitief. Bezit wordt in de eerste plaats uitgedrukt door een uitgang toe te voegen aan hetgeen bezeten wordt, daarnaast eventueel door de bezitter in de datief te plaatsen. („het huis van Béla” = Béla háza (lett. „Béla zijn huis”) of (met datief) Bélának a háza (lett. „aan Béla zijn huis”)). De datief van de bezitter is overigens typisch voor Indo-Europese talen, geen enkele andere Finoegrische taal heeft dit kenmerk.
  • De intonatie van vraagzinnen met een gesloten vraag wijkt af van die van de overige zinnen, inclusief de vraagzinnen met een vraagwoord (wie wat waar). Deze hebben vaak een nauwelijks dalende intonatie, met een stijging bij de voorlaatste lettergreep (voor zover de zin meer dan twee lettergrepen telt, maar ook kortere vraagzinnen van dit type hebben een specifieke intonatie). Ontbreekt deze intonatie, dan wordt de zin niet als vraag opgevat. Overige vraagzinnen en stellende zinnen hebben over het algemeen een dalende intonatie.

Bron: Wikipedia

Vakantiehuizen
Verkeersbureau
Buienradar Hongarije
Hongarijepagina
Startpagina